categorie | monument

zwaard

Het zwaard van den Watergeus Willem Bloys van Treslong, 1572. Het zwaard bleef op Wieringen achter na een spannend avontuur. Geschiedschrijver Pieter Christiaenszn. Bor. (1559 – 1635) beschrijft dit bloemrijk in zijn boek: “Oorsprongk, begin ende vervolgh der Nederlandschen oorloghen, beroerten ende burgherlijcke oneenighe den”.

”In ‘t voorgaande boek is verhaald hoe dat Grave Edsaert van Oost Vriesland hadde doen vangen Jonker Willem van Bloys, gezeid Treslong en hoe de zelven, na zijn ontslaginge cauti gesteld hebbende  van dat hij niet en zoude vertrekken uit Embden, eindelijk vandaar vertrokken is onder voorgaande  protestatie, nadat hij omtrent veertien weken tevergeefs zijn gehele ontslaginge of gerechtelijke aansprake verzocht en gesolliciteerd hadde. Deze voorzeide Treslong hebbende, volgens zijne commissie van den Prince van Oranje, toegerust een schip van oorloge waarop hij als kapitein commandeerde, is daarmede op den tienden Februari uit het Vliet zeil gegaan in meninge om naar Tessel te lopen. Maar alzo het zeer vroor, zo heeft het ijs hem gedwongen te lopen tot Wieringen. Daar lag hij tot in de Maart, gaande met zijn volk dagelijks op ‘t land, eten en drinken, zonder dat hij vandaar kon vertrekken. Want het vroor in denzelven tijd geweldig hard hetwelk verstaan zijnde van den Grave van Bossu, stadhouder van Holland in plaatse van den Prince van Oranje aan de zijde van den hertog van Alva, heeft aldaar gezonden den Vice-Admiraal Jan Sijmonsz. Rol met vier vaandelen soldaten menende  het voorzeide schip met alle het volk te vangen. Deze kwamen daar zo onvoorzien dat zij bijna den kapitein met het meeste volk, hetwelk te lande was, zouden hebben verrast en gekregen en hadden nauwelijks tijd te scheep te komen, maar kwamen nog meestal te scheep, uitgenomen hunlieder constabel, die vanzelf wegliep bij de vijanden. Deze kapiteinen aldaar gekomen zijnde zonden een bode aan ‘t schip en deden het opeisen. Treslong gaf kwade antwoord en zeide dat hij op hunlieden niet en paste, hij en wilde schip noch goed niet verlaten en hadde voor hunlieden niet dan kruit en lood ten beste, ‘t welk verstaande zijn zij al t’ samen daarop aangekomen om het schip, aldaar in het ijs bevroren leggende, te bevechten en nemen. Maar Treslong schoot er zo geweldig uit met zijn geschut, dat zij zeer haastig en met vreze, achter den dijk geweken zijn. Daarna hebben zij veel praamkens en sleeden met aarde op het ijs gebracht en geschut, en schoten wel vierhonderd achtentachtig schoten op het schip, zonder ‘t zelve iet te konnen krenken, want zij en dorsten niet te na onder Treslongs geschut te komen. Doch werd de schipper van het schip geschoten, dewelke  zij als eene vrouw hulden en met kamers van bassen aan armen en benen gebonden deden in ‘t water zinken. Treslongs volk arbeidde zeer met bijten en anders, om ‘t schip los te krijgen, ten aanzien van hunne vijanden, die zo na niet en dorsten komen dat zij het konden beletten. Tenlesten kwamen zij los en schietende zeer geweldelijken begekten zij hunne vijanden en voeren het zeewaarts in zonder iemand anders dan de voorschreven schipper verloren te hebben, ‘t welk groot wonder was, en zeilden voorts in Engeland. Terwijlen Treslong aldaar te Wieringen lag, zo hebben die van Wieringen op énen nacht zeventien soldaten van Treslongs volk, die wat moedwillig waren geweest doodgeslagen en vermoord, en kwamen voorts bij Treslong, daar hij zonder veel volks was en dwongen hem te zweren dat hij ‘t zelve nimmer meer en zoude gedenken of wreken”.